loket1
loket2
loket3
loket4
loket5

 
 



29.06.2017

Uit oma's verzameling.
Waarom zijn ouderwetsche dingen zo leuk?
Omdat ze niet meer bestaan?
Uit heimwee kan het niet zijn, want ik heb de tijd dat reclame vooral op papier gemaakt werd niet echt meegemaakt.
Toen ik nog klein was had je al Ster reclame op tv.
Met Joris Driepinter.
Toegegeven, als ik daar een afbeelding van zie vind ik dat ook magisch.
Maar anders.
Dan gaat er ergens in mijn hoofd een lichtje aan en wordt een klein donker gebiedje beschenen. Waar een paar vage herinneringen liggen te verstoffen.
Melk is goed voor elk.
Televisie aan.
Bij mijn vader op schoot.
Glaasje op laat je rijden, was er ook zo één.
Wat ik niet begreep trouwens, wie had er nou een glaasje op z'n kop?

Dit soort papieren reclames sturen hun boodschappen nu, anno 2017, nog steeds de wereld in. Alleen vertellen ze nu niet meer over de aangeprezen producten, maar over het tijdperk waar uit ze stammen.
De producten verdwenen, de verkopers begraven, misschien leeft er nog een enkeling die zich de wereld van toen herinnert. En wij kunnen ze nu bekijken in onze kleine magische handcomputers. Bakens in de tijd.





 




27.03.2017

Ik sloot het pact in de eerste lente na de dood van Thomas.
Bijna verbaasd was ik, toen vroeg in het voorjaar de knoppen kwamen.
Bestond dat nog?
Werd het weer lente?
Van andere mensen hoor ik dat ze in verdrietige tijden niet van mooi weer houden.
Niet van de lente.
Of van andermans geluk.
Maar ik was er dankbaar om.
Dat de zon scheen, dat de magnolia bloeide, dat het mooie, de hoop nog bestond.
Ik woonde tweehoog, het was niet mijn eigen tuin, maar dat gaf niet.
Het was een grote magnolia en hij bloeide precies op ooghoogte.
Kort, maar met grote gulzige bloemen.

Toen ik een jaar later moest verhuizen bleek het verbond met me mee te gaan.
In de achtertuin van mijn benedenburen stond een fiere magnolia.
Minder weelderig maar mooi genoeg en in mijn verbeelding leefde in deze boom de vorige voort.
En met de boom het oude huis waar Thomas was geboren.
En daarmee Thomas.
Van zijn eerste tot zijn laatste stap.
Het was alsof die magnolia voor mij alleen in bloei stond.

Een paar weken later bleek dat nog een soort van waar te zijn ook.
Mijn nieuwe benedenburen hadden er in ieder geval totaal geen boodschap aan.
Kort na de bloei maakten ze hun hele achtertuin met de grond gelijk.
Ik dacht nog even dat de twee Hindoestaanse broers een ambiteus tuinplan hadden.
Maar nee, er werd niets nieuws aangeplant.
De hele rest van het jaar bleef de tuin een kale, vaak modderige vlakte.
Onbegrijpelijk.
En eeuwig zonde.

Van die broers kreeg ik sowieso geen hoogte.
De ene was doof, en de ander was regelmatig dronken en draaide dan bollywoodfilms met het geluid op honderd.
Al vrij snel besloot ik eens aan te bellen om te zeggen dat het niet te harden was.
Die klereherrie.
Maar de dove broer begreep me niet en de dronken broer deed net of hij gek was.
Hij vroeg of ik koffie voor hem wilde zetten.
Dat kon hij namelijk niet want hij mankeerde iets aan zijn been.

Hij keek naar die films uit heimwee, omdat hij zo ongelukkig was in Nederland.
Zonder werk en zonder bruikbaar been en aan een dove broer had 'ie ook niet veel .
Nou heb ik best begrip voor zulke dingen.
Het leven kan je lelijke loeren draaien.
Alleen: hoe bezopener hij werd hoe harder die bollywoodmuziek.
Zo hard dat ' ie z'n eigen bel niet hoorde, en ik steeds nijdiger voor Piet Snot aan z'n deur stond.
Wat een stel.
Typisch het soort kerels dat een magnolia omhakt en een hele tuin in een kale woestenij verandert.

Ik woonde er niet lang.
Bij mijn nieuwe huis had ik, voor het eerst van mijn leven, een eigen tuin.
Eén van de eerste dingen die ik deed was het planten van een magnolia.
Nu heb ik mijn eigen boom, daar kan geen dronken broer meer bij.
Hij bloeit nog niet zo vol, maar onmiskenbaar prachtig.
Met vette knoppen en grote gulzige bloemen.
Het verbond bestaat nog.
De magnolia en ik, wij houden samen Thomas in ere.





 




23.03.2017

Ik ben in een plooi van de tijd gekropen.
Heerlijk zacht en rustig is het hier.
Een vage geur die ik nauwelijks bewust waarneem brengt me naar het huis van mijn jeugd.
Eengezinswoning in Hoogvliet.
Wijnruitstraat 551, tweede huis in het eerste rijtje.
Nu een eenvoudig woninkje.
Toen het centrum van de wereld.

Het is een archetypisch huis, het enige waarvan ik alle kamers nog kan visualiseren.
Eigenlijk ook het enige huis dat in mijn hoofd nog bestaat .
Ik droom het regelmatig.
Wij woonden er met acht personen.
Vier, gedeelde, slaapkamers, stapelbedden.
Maar nu in mijn herinnering het twee persoons opklapbed waarin ik met mijn grotere zus sliep.
Aan de andere muur in het kamertje het ledikantje van mijn jongste broertje.
Op de vloer Jabotapijt.
Onverslijtbaar, grof, en vooral praktisch.
Ik herinner me hoe mijn moeder bij het stofzuigen met een gebaksvorkje hardnekkige aankoeksels uit het tapijt losharkte, waarna ze onherroepelijk in de gulzige stofzuigermond verdwenen. Soms hoorde je ze omhoog tikken tegen de metalen buis. Van die vage loshangende flarden die in mijn geheugen gegrift staan.

Hoe oud ik was weet ik niet meer.
Een jaar of vier?
Was mijn broertje er toen al?
In ieder geval was ik nog klein genoeg om onder het grote opklapbed te kruipen.
Gehurkt schuifelde ik naar een van de hoeken achterin.
Daar liet ik een klein beetje plas lopen.
Een eindje verder weer een beetje, en zo nog een paar keer.
Steeds op een ander plekje een klein beetje plas.
Tot mijn blaas leeg was.

Natuurlijk was ik bang dat iemand het zou merken.
Boven zou komen.
De plas door het plafond zou lekken.
Daarom verspreidde ik het zo zorgvuldig.
Ook een vage angst, dat iemand er alsnog achter zou komen.
Maar waarom ik het deed weet ik niet meer.
Waarschijnlijk wist ik het toen ook al niet.

Het was een van de dingen die ik deed.
Ik had veel geheimen geloof ik.
Of in ieder geval een heel stuk belevingswereld dat van mij alleen was.
Dat ik niet deelde.
Waarover ik nooit praatte.
Opgroeiend in een groot gezin waar je niet vaak alleen was, was eenzaamheid misschien wel een groot goed. Geen commentaar van anderen, die alles beter konden, meer wisten, die konden lezen en lachten om dingen die ik niet begreep.
Een wereld die van mij alleen was.
Een klein verborgen plekje, dat anderen over het hoofd zagen.
Precies zoals ik nu hier zit.
Stil en verborgen.
Gelukkig hoef ik daarvoor niet meer onder mijn bed te kruipen.