loket1
loket2
loket3
loket4
loket5

 
 

20.09.2016

Gisteravond heb ik fikkie gestookt.
Meestal als ik een vuurtje maak, denk ik aan mijn kindertijd.
Daar heb ik veel goede herinneringen aan.
Toen wij kinderen waren speelden we vaak en naar hartenlust buiten.
Wij, dat zijn mijn zus en ik.
Kwajongens waren we.
We kwamen overal en nergens.
In winkelcentra stalen we snoep.
We klommen op daken, of haalden rotzooi uit in  de kelders van de keurige nieuwbouwflats in onze wijk.
We bouwden hutten en stookten fikkie.
Maar we organiseerden ook zomerspelen voor alle kinderen uit de buurt.
En konden uren zoet zitten knippen en plakken verscholen achter de tent op de camping.

’s Avonds in ons stapelbed richtten we samen de mooiste fantasieën op.
In de ruimte tussen onze bedden sponnen wij een wereld waarin alles was zoals het hoorde.
We hadden onze eigen gymzaal.
We hadden duizend sleutelhangers.
We konden doen wat we wilden.
Niemand kon ons iets maken.
Zolang we maar geen herrie maakten.
Want als we melig waren, al te enthousiast of ruzie kregen dan kwam ma naar boven.
Nou, dan kon je wel inpakken met je vrije gedachtenleventje.
Een pak op je sodemieter kon je krijgen.
Nog bijna fysiek herinner ik me hoe we onder de dekens kropen als we haar de trap op hoorden bonken.
“Nee ma, nee ma”, piepend.
Niet beseffend dat het opgerold bolletje kind aan het voeteneind een wel heel uitnodigende landingsbaan vormde voor de venijnige klappen die ze uitdeelde.

Maar gisteravond dacht ik aan Nico.
Hoe we, toen onze relatie afliep, gek genoeg de mooiste  zomeravonden beleefden.
In het donker op mijn balkon stookten we kleine fikkies.
We dronken rode wijn en praatten.
In een laatste poging bruggen te slaan.
Te begrijpen waarom.
Het waren gesprekken met boosheid, onbegrip en verdriet.
Maar ook heel intens en open en vertrouwd zodat ik me afvroeg waarom ik weg wilde.
Hij was mijn vriend.
Niemand kende mij beter dan hij.
Maar ik wist ook hoe hij was.
Hoe hij na een tijdje weer dicht zou klappen, als de oester die hij is.
En ondanks de parel ging ik…





 

13.12.2015

Zomerregen

de tuindeuren zijn open
vogels fluiten
het regent zachtjes
hortensia’s staan in bloei
ik ben heel dichtbij

het regent harder nu
en de wind is fris
de tuin ruikt lekker
de geur van natte stoeptegels

Hoogvliet
- de eerste keer dat ik dat rook
die  sterke geur van natte stoep
walmend in de regen na een dag vol hete zon
niemand op straat
en ik vroeg me af of het zo hoorde

ik ervaar eenzaamheid
maar verdrietig is het niet
stil is het
als in mijn hut met het gele ligbedje
waar ik als veertienjarige stiekem shaggies rookte
alleen

en op een dag mijn vader
die naar me toe kwam in mijn schuilplaats in de struiken
die me kwam opzoeken in mijn stilte
die mij een Suske en Wiske bracht
en erkenning

de roos is uitgekomen pa!





 

30.11.2014

Lieve Ida,

Gisteren zag ik een foto van ons in een van mijn schaarse fotoalbums.
We lopen gearmd op het schoolplein.
Je ziet ons op de rug.
We hadden de avondvierdaagse gelopen.
We waren toen tien, elf jaar en eigenlijk weet ik achteraf niet of we veel gemeen hadden.

Zes jaar lang waren wij vriendinnen.
Vanaf de eerste klas.
Jij had een soort plunjezakje bij je dat me intrigeerde.
Wat nam je daarin toch steeds mee naar school?
Andere kinderen hadden zoiets niet.
Ik vroeg het aan je.
Wat je antwoordde weet ik niet meer.
Vermoedelijk waren het pantoffels.

Onze vriendschap was solide.
Maar de rollen niet eerlijk verdeeld.
Ik was de meegaande.
Jij de sterkere.
Soms was je gemeen.
Je sloeg je arm om mijn nek maar niet in een liefdevolle omhelzing.
Je klemde mijn nek zodat ik me moest buigen.
Gekneld in deze houdgreep liepen we naar huis.
Wat best een eind was.

Natuurlijk was ik boos op je.
Maar de volgende dag vergaf ik je weer en speelden we.
Ik was gewend aan mijn ondergeschikte rol.
Mijn zus, met wie ik eindeloos kon spelen, was ook altijd de baas.
Ik leed daar niet actief onder.
Misschien wist ik niet beter.
Het was zo als het was.

Het leukste wat ik me van ‘ons’ herinner, zijn de logeerpartijen.
En dan vooral het rugtekenen.
Weet je dat nog?
In het donker tekenden we op elkaars rug eenvoudige dingen.
Een huis, een boom, een zon.
De ander moest raden wat het was.

Die behoedzame aanrakingen, stevig maar niet te hard.
Langzaam en nadrukkelijk want de lijnen moesten herkenbaar zijn.
Het waren misschien wel onze tederste momenten.

In de laatste schooljaren groeiden we al uit elkaar.
Jij was robuuster dan ik en misschien ook wat vroeger wijs.
Dat gedoe in die kelders met die grote jongens, dat was niets voor mij.

Heel soms vraag ik me af hoe het met je gaat.
Toen ik pas internet had heb ik nog wel eens gezocht op je naam.
Maar vrouwen die hun meisjesnaam inruilen voor de naam van hun echtgenoot vind je niet makkelijk terug. En misschien hou je er ook wel helemaal niet van.
Van internet.

Zouden wij elkaar nog herkennen als we elkaar tegenkwamen?
Ik denk van niet.
Jij?

Liefs,
A.





 

19.10.2014

Het geheim in het dressoir

De eerste dode die ik meemaakte was mijn opa.
Hij was niet het soort opa die met je naar de dierentuin gaat ofzo.
Ik vond hem een beetje eng.
Maar ik kende hem dan ook nauwelijks.
Mijn moeder had niet graag dat we in zijn buurt waren.
Logeren deden we er dus nooit.

Als we bij opa en oma op visite waren zat hij in zijn stoel.
Ik herinner me niet dat hij veel zei of contact met je maakte.
Het was een kleine man met bruine kraaloogjes en een grijze pet.
En hij had een drankprobleem.
Zoveel had ik er wel van begrepen.
Niet dat wij kinderen daar veel erg in hadden.
Wij speelden altijd.

Opa en oma hadden een grappig klein wit huisje met een kruipgaatje boven de trap.
In een van de piepkleine kamertjes stond een ouderwets dressoir.
Daar mochten we naar hartelust in rommelen.
Spannend was dat.
Al die geheimzinnige spullen.
Zo oud dat niemand nog wist waartoe ze ooit hadden gediend.
En met die speciale geur van dingen die voorbij zijn.

Maar het meest tot de verbeelding sprak wel het middelste deurtje.
Het was op slot en er zat geen raampje in.
Elke keer weer gingen we op zoek naar de sleutel.
Die we nooit vonden, maar dat was deel van het spel.
Ach.
Alle geheimen die in onze verbeelding in dat dressoir hebben gezeten.
Het waren er genoeg om een heel huis te vullen.

Op een dag werd opa ziek.
Daar werden wij, kleintjes, buiten gehouden.
Ook toen hij dood ging.
Mijn ouders gingen naar het witte huisje.
Wij mochten mee, maar ik moest wel buiten spelen met mijn broertje.
De straat was opgebroken en we rommelden in het zand en sjouwden met bakstenen.
Het werd al donker maar niemand bekommerde zich vandaag om bedtijd.
Dat soort gelegenheden koesterde ik.
Je ouders in de buurt, als veilige achtervang, maar niet om zich met je te bemoeien.

Wat zich binnen afspeelde verontrustte ons niet.
Het was gewoon een van de geheimen in het dressoir.
Op een dag zouden we die sleutel wel vinden.
Vroeg genoeg.



 
13.10.2014

Zo.
He he, eindelijk is het dan zover.
Oma’s Postkantoortje is open.

Niet dat ik kinderen heb hoor.
Laat staan kleinkinderen.
Ik had vroeger wel een zoon, maar die is al een tijdje dood.
Daar wou ik het nu even niet over hebben.
Het is een lang, ingewikkeld en vooral droef verhaal.
En oma’s postkantoortje is er om het leven, desondanks, te vieren.

Maar waarom dan toch een postkantoortje van een oma?
Nou.
Dat zit zo.
Ik heb namelijk wel een kleinhond: Mees.
Mees is een ongelofelijk lief diertje.
Haar vacht is heerlijk rommelig.
Ze houdt van wilde spelletjes en keihard rennen.
Maar ze kan ook uren zoet tegen je aan komen liggen.
Als ze je aankijkt met haar ene bruine en haar andere blauwe oog dan ben je verkocht.
Meteen.

Als ik in mijn  postkantoortje zit ligt zij aan mijn voeten.
Ik zit dan enveloppen te vouwen.
Of postzegels los te weken.
Of brieven te schrijven naar niet bestaande familieleden in verre landen.
Brieven die nooit worden verstuurd.
Maar misschien zijn dat wel de beste.

Er zijn een paar loketten hier.
Je moet maar even kijken wat je wilt.
Iets lezen, of iets kopen of gewoon een beetje rondneuzen.
Contact maken gaat via de e-mail.
Lekker ouderwets.